Op 1 augustus 2010 is de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen van kracht geworden. De referentieniveaus geven aan wat leerlingen moeten kennen en kunnen op het gebied van taal en rekenen op belangrijke momenten in hun schoolloopbaan.
Taal en rekenen vormen een belangrijke basis voor schoolsucces op de middelbare school en verder. De Centrale Eindtoets meet welk referentieniveau een kind heeft (1F/1S/2F). Een referentieniveau geeft aan wat een kind kan op het gebied van taal en rekenen. 

Referentieniveau voor groep 8

Als je referentieniveau 1F hebt bereikt, dan beheers je taal en rekenen voldoende. Als je referentieniveau 1S of 2F hebt bereikt, dan beheers je taal en rekenen zelfs nog beter. De verwachting is dat de meeste kinderen aan het einde van groep 8 het referentieniveau 1F hebben bereikt. Het kan zijn dat je meer kan dan het referentieniveau 1F, bijvoorbeeld 1S of 2F. Je zou kunnen zeggen dat het niveau 2F nodig is om je in de wereld te kunnen redden. Te denken valt aan: wat moet je kunnen om bijvoorbeeld zelf goed boodschappen te kunnen doen, om zelf de weg te kunnen vinden en dingen te kunnen uitrekenen. 

Maar er zullen ook kinderen zijn voor wie 1F (nog) niet haalbaar is. Hierdoor sluit het basisonderwijs en het vervolgonderwijs onvoldoende op elkaar aan. Het is dan ook belangrijk dat een kind goed kan rekenen!

  • Basisschool: niveau 1F;
  • VMBO en MBO 1 t/m 3: niveau 2F;
  • MBO 4, havo en vwo: niveau 3F.

Vaardigheden referentieniveau 1F rekenen


Het kind:

  • weet eenvoudige getallen, bewerkingen en symbolen correct te noteren en te gebruiken.
  • kan getallen lezen en uitleggen hoe getallen uit cijfers opgebouwd zijn;
  • kan hoofdrekenen met en zonder notatie van tussenresultaten;
  • kan hoofdbewerkingen (+, -, x, :) met gehele en eenvoudige decimale getallen op papier uitvoeren, evenals bewerkingen met eenvoudige breuken;
  • kan berekeningen uitvoeren om problemen op te lossen;
  • kan in de context van verhoudingen eenvoudige berekeningen uitvoeren, ook met procenten en verhoudingen;
  • kan veel voorkomende en eenvoudige meetinstrumenten gebruiken en aflezen, met maateenheden rekenen en in eenvoudige gevallen maateenheden in elkaar omzetten;
  • heeft een gevoel ontwikkeld voor standaardmaten in veel voorkomende situaties;
  • kent namen van enkele meetkundige figuren en begrippen en kan deze gebruiken om situaties in de ruimte te beschrijven;
  • kan eenvoudige tabellen, diagrammen en grafieken gebruiken bij het oplossen van problemen, ook om eenvoudige berekeningen uit te voeren

Onderdelen Centrale Eindtoets Rekenen

Bij rekenen gaan de vragen over de rekendomeinen:

  • getallen: 1 + 1 en 3 x 5 enzovoort
  • verhoudingen: dat zijn vragen over breuken, procenten en kommagetallen
  • meten en meetkunde: dat zijn vragen over omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd en geld
  • verbanden: dat zijn vragen over tabellen en grafieken

Rapportage

In de rapportage wordt naast het resultaat op de Centrale Eindtoets en daarbij behorende advies best passend brugklastype ook de beheersing van de referentieniveaus weergegeven. Op het rapport wordt inzichtelijk gemaakt hoe een kind scoort ten opzichte van het referentieniveau rekenen 1F/1S en op de taaldomeinen lezen en taalverzorging 1F en 2F. Ook wordt in de rapportage zichtbaar gemaakt als de leerling het referentieniveau 1F nog niet beheerst.

(Bron: Centrale Eindtoets PO

 

Share This

Volg ons op Facebook
Follow Us