Op jonge leeftijd leren kinderen rekenkennis en rekenvaardigheden, veelal spelenderwijs. Kinderen nemen onbewust namelijk beter op dan bewust. Spel en activiteiten stimuleren dan ook de cognitieve vorming binnen dit proces.

Het aanbod begint overzichtelijk en zeer concreet, bijvoorbeeld met het tellen van potloden in de bak of het verdelen van snoepjes over alle kinderen. Vanaf groep 3 wordt er steeds meer gewerkt aan het ‘echte rekenen’, dat wil zeggen het werken met cijfers en sommetjes. De opdrachten worden steeds minder concreet of spelenderwijs, maar juist abstracter. Zo wordt er niet meer geoefend met de daadwerkelijke snoepjes, maar staan de snoepjes afgebeeld in het rekenboek of –werkblad.

Hoe verder kinderen komen op de basisschool, hoe abstracter het aanbod in het rekenonderwijs wordt. Ze krijgen geen afbeeldingen meer van ‘snoepjes’, maar opgaven die verpakt zijn in een verhaal (redactiesommen of contextsommen).

Veel kinderen hebben moeite om het rekenonderwijs bij te houden, met name door het toenemende abstractieniveau. En bestaat er een relatie tussen het niveau van de voorbereidende rekenvaardigheid van kinderen en het latere niveau van rekenen (zelfs voor het rekenen in het vervolgonderwijs). Onvoldoende gememoriseerde kennis van het rekenen tot 10 zal bijvoorbeeld in alle jaren van de schoolcarrière een belemmerende rol spelen. Vroegtijdige onderkenning van rekenuitdagingen is dan ook gewenst, net als goed rekenonderwijs en vroegtijdige hulp. Goed Gerekend! zorgt voor (extra) praktijkervaringen waarmee de theorie ineens een stuk duidelijker wordt.

Share This

Volg ons op Facebook
Follow Us